Geschiedenis
Loenen ligt aan de rand van de Veluwe, precies op de overgang van hoge zandgronden naar het lagere IJsseldal. Dat was al vroeg een slimme plek om te wonen: droog genoeg voor boerderijen, maar mét water in de buurt.
De oudste schriftelijke vermelding gaat terug tot 838. In die tijd werd gesproken over Lona en Sulvenda (het huidige Zilven): kleine buurtschappen met groepjes boerderijen die samen het begin vormden van het dorp dat we nu Loenen noemen.
Wie Loenen zegt, zegt water. Door sprengen en beken werd het heldere Veluwewater geleid naar molens. Dat water maakte Loenen eeuwenlang tot een echt ‘werkdorp’. Het bekendste voorbeeld is Papierfabriek De Middelste Molen aan de Loenense Molenbeek, waar al sinds 1622 papier wordt gemaakt, als enige in Nederland nog met waterkracht (en stoom).
Loenen hoort al lang bij het verhaal van Apeldoorn. In de Franse tijd was het even zelfstandig en vormde het van januari 1812 tot januari 1818 de mairie Loenen-Eerbeek in het kanton Brummen. Daarna werd Loenen weer samengevoegd met Apeldoorn. Die bestuurlijke relatie werd later ook praktisch: eerst in 1868 met een bevaarbare verlenging van het Apeldoorns Kanaal naar Dieren (met losplaatsen in Loenen) en kort daarna via de spoorlijn Apeldoorn–Dieren. Toen kreeg Loenen een eigen station (1887–1950). Vandaag brengt de toeristische stoomtrein die geschiedenis weer tot leven.